Je hoeft geen techneut te zijn om met AI te werken, maar zonder basisbegrippen blijf je gokken waaróm een tool doet wat hij doet. Zeven termen dekken samen het grootste deel van de praktijk. Ze hangen bovendien logisch samen: machine learning is de techniek, generatieve AI de toepassing, een LLM het model, trainingsdata de brandstof, een prompt jouw sturing, een hallucinatie het typische risico en een AI-agent de volgende stap.
- Machine learning
Is software die patronen leert uit data in plaats van dat iemand elke regel vooraf vastlegt. Dat verklaart waarom AI zich soms onvoorspelbaar gedraagt: er zit geen lijstje instructies achter dat je even kunt nalezen.
- Generatieve AI
Is AI die nieuwe inhoud maakt: tekst, beeld, geluid of code. Dit is de categorie waar tools als ChatGPT en Copilot in vallen, en het is het deel van AI waar je in je dagelijkse werk het snelst mee te maken krijgt.
- Een LLM (large language model)
Is een groot taalmodel dat woord voor woord voorspelt wat waarschijnlijk volgt. Dat ene mechanisme verklaart zowel de kracht van de output als de fouten erin.
- Trainingsdata
Zijn de gegevens waarmee een model geleerd heeft. Ze bepalen wat een model kent, welke aannames erin zitten en tot welk moment die kennis loopt.
- Een prompt
Is de opdracht die je aan een AI-tool geeft, inclusief de context die je meestuurt. Het is de grootste knop waar je zelf aan kunt draaien en meestal belangrijker dan je toolkeuze.
- Een hallucinatie
Is een antwoord dat overtuigend klinkt maar feitelijk niet klopt. Het is de belangrijkste reden om AI-output altijd te controleren voordat je die gebruikt.
- Een AI-agent
Is AI die zelfstandig meerdere stappen uitvoert in plaats van alleen antwoord geeft. Daarmee verschuift de vraag van “wat kan de tool” naar “welke taken laat je zonder toezicht lopen”.