Vraag het, in plaats van het te schatten. Eén vraag aan het begin — “werk je hier vaker mee of is dit nieuw voor je?” — bepaalt de rest van het gesprek. Onderschatten voelt neerbuigend, overschatten laat iemand knikkend achter zonder dat er iets is geland.
Let vooral op de bevestigingen die niets zeggen. “Ja, ja, oké” betekent meestal dat iemand het gesprek wil afronden, niet dat het duidelijk is. Vraag daarom niet “is het duidelijk?” maar “wat ga je nu als eerste doen?” Op die vraag hoor je meteen of je uitleg is aangekomen.
Hoe gebruik je een analogie zonder de plank mis te slaan?
Een analogie is bedoeld om het waarom te verduidelijken, nooit om instructies te vervangen. Vergelijk een netwerkstoring met een file: dat helpt iemand begrijpen waarom het langzaam is. Maar leg de handeling er nooit in uit, want dan gaat iemand de metafoor volgen in plaats van het scherm.
Twee valkuilen. Een analogie die niet klopt komt later terug als een misverstand dat jij hebt geplant. En een analogie die de ander niet kent — een vergelijking met verkeersregels bij iemand zonder rijbewijs — maakt het onduidelijker dan de techniek zelf. Test hem daarom kort: klopt de vergelijking ook als de ander hem doordenkt? Zo niet, gebruik hem niet.